De Bergkerk
Korte bouwhistorie
De romaanse kruisbasiliek waarvan bijna de hele westelijke partij, de basementen van de beide oostelijke kruispijlers en wat muurwerk van het dwarsschip bewaard zijn gebleven, moet èn volgens de stijlkenmerken èn volgens de oorkonde uit 1206 uit het laatst van de twaalfde eeuw dagtekenen.
De hoogte van de zijbeuken zal met die van de eerste geleding van de torens hebben geklopt, het muurwerk van de midden beuk zal tot de lijst hebben gereikt die de tweede geleding van de torens afsluit.
Behalve de onderste gedeelten van de beide torens zijn van dit eerste kerkgebouw nog de uiteinden van het romaanse dwarsschip over.
Voor het overige heeft de kerk vooral het uiterlijk van een laat-gotische basiliek.
Uit die stijlperiode dateren ook de in baksteen opgetrokken verhogingen van de torens. Het koor dateert uit de eerste helft van de vijftiende eeuw.
Enkele concrete dateringen vermeldt het gebouw zelf: 1463 op de gewelven in de noorder zijbeuk; 1466 op de zuider, zodat gesteld mag worden dat het nieuwe basilikale schip met zijbeuken uit het derde kwart van de vijftiende eeuw stamt.
Van het transept, dat even hoog werd gebouwd als de zijbeuken, is de noordelijke 1497 gedateerd.
De Bergkerk is tweemaal langdurig gerestaureerd: in de jaren 1908-1915 onder leiding van Wolter te Riele (1867-1937), die onder meer de nieuwe "Gotische" vensters had ontworpen en laten maken; voorts in de jaren 1971-1977 onder leiding van W.A. Heineman te Velp.
De westelijke tussenbouw en de torens waren al in 1964 gerestaureerd onder de Deventer architect W.P.C. Knuttel.
Tijdens de laatste restauratie in 1972 werd de aangebouwde door stadsbouwmeester Mulick Houwer ontworpen neogotische consistorie en kosterswoning uit 1886 gesloopt.

